Spinley Dessel kiest voor niveauwerking om trainers te motiveren
Bij Spinley Dessel staat jeugdopleiding al jaren centraal. Door bewust te investeren in trainers, ruimte te geven aan jonge coaches en samenwerkingen aan te gaan over clubgrenzen heen, bouwt de club aan een toekomstgerichte werking. Eén van de drijvende krachten achter dat beleid is Dylan Cosemans.
Dylan begon zelf met volleybal op U11-leeftijd en werd op zijn achttiende gevraagd door de sportieve cel — toen onder leiding van Bart Van Hoof — om trainer te worden. “Zo ben ik erin gerold,” vertelt hij. Dankzij de komst van Hugo Spildooren kreeg hij extra begeleiding en groeide hij verder in zijn rol. Ondertussen engageerde hij zich ook in het jeugdbestuur en de sportieve cel.
Wat zeggen de cijfers over jeugdtrainers?
Spinley Dessel telt jaarlijks 12 tot 13 jeugdploegen, goed voor ongeveer twintig trainers en assistenten.
De club werkt bewust met jonge begeleiders: veel trainers zijn tussen 18 en 22 jaar, terwijl assistenten vaak al starten op zestien of zeventien. Vanaf U13 staan meestal hoofdtrainers met meer ervaring voor de groep. Hoe jonger de spelers, hoe dichter de leeftijd van de trainer — uiteraard ondersteund door ervaren coaches.
Welke tendensen merken jullie de laatste jaren in verband met jeugdtrainers?
Volgens Dylan is het trainerslandschap de voorbije jaren veranderd.
“De verantwoordelijkheidszin is wat gedaald. Vroeger was engagement vanzelfsprekend, vandaag is alles vrijblijvender geworden.”
Ook merkt hij dat de overstap van assistent naar hoofdtrainer niet altijd vanzelf gaat. De verantwoordelijkheid schrikt sommige jongeren af, waardoor ze liever in een ondersteunende rol blijven.
Tegelijk ziet hij ook veel positieve signalen. “Jonge trainers brengen frisse ideeën binnen,” zegt hij. “Ze denken bv. mee over hoe we communiceren met ouders van beginnende spelers en hoe we onze werking kunnen verbeteren.”
Spinley probeert daarom flexibel om te gaan met verwachtingen. De club houdt rekening met studies, eigen sportieve ambities en privéleven van trainers, werkt met duo’s en voorziet back-ups. In ruil verwacht men engagement — een evenwichtsoefening die volgens Dylan hoopgevend blijft.
Hoe inspireert en ondersteunt het clubbestuur haar jeugdtrainers op lange termijn? En hoe managen jullie op korte termijn?
Het bestuur combineert structurele ondersteuning met dagelijkse nabijheid.
Op lange termijn organiseert Spinley onder andere:
- jaarlijkse digitale trainersbevragingen over ambities en noden,
- terugbetaling van cursussen bij slagen of meelopen met ervaren trainers,
- individuele gesprekken met jeugdcoaches.
Op korte termijn wordt sterk ingezet op nabijheid en communicatie:
- jonge trainers worden aangemoedigd om vragen te stellen aan ervaren collega’s,
- snelle en open communicatie tussen trainers onderling staat centraal.
Het bestuur staat ook volledig achter de samenwerking met Molvoc bij de jongens U13 en U15, omdat die spelers zo op hun niveau kunnen spelen en maximaal kunnen groeien.
Wat is de belangrijkste vraag die jullie stellen vanuit het clubbestuur aan jeugdtrainers en welke antwoorden krijgen jullie dan?
Het bestuur vertrekt vanuit dialoog. Trainers worden regelmatig gevraagd naar hun noden, verwachtingen en het engagement dat ze willen opnemen.
Spinley organiseert daarnaast drie trainersvergaderingen per jaar en stimuleert trainers om zelf initiatief te nemen, vaak te beginnen met kleine engagementen die geleidelijk groeien.
Wat is je grootste wens?
Dylan droomt van een toekomst waarin trainers en clubs nog meer durven samenwerken over dorpsgrenzen heen.
“Als trainer moet je jezelf afvragen: wat is het beste voor de jongens? Ik wil hen beter maken. Dat lukt het best als ze op hun niveau trainen. Door in de Zuiderkempen krachten te bundelen, kunnen we sterker staan en meer jongens aantrekken.”
Spinley Dessel staat volledig achter die visie: iedereen speelt op zijn niveau, met één gezamenlijk doel — ontwikkeling en plezier.

